Dossier Boerderijcompostering
Compost is de beste leverancier van stabiele organische stof, verbetert de bodemstructuur, verhoogt de ziekteweerbaarheid van de gewassen en zorgt voor stabielere gewasopbrengsten. Maar hoe start je met boerderijcompostering als landbouwer? Welke processen moet je opvolgen en hoe kan je zien wanneer compost klaar is? En hoe kunnen landbouwers samenwerken en ondersteuning vinden op regioniveau?
Wat doet ILVO?
-
Op hun compostsite optimaliseert ILVO recepten en processen; proefvelden faciliteren lange termijn onderzoek van compostgebruik -
Naast gebruik van boerderijeigen reststromen onderzoekt ILVO de meerwaarde van natuurbeheerresten op compost- en bodemkwaliteit -
Het ILVO labo Teelt & Omgeving kan zowel de kwaliteit van bodem als compost bepalen -
Samen met Felix de Bousies en Alain Peeters test ILVO agro-ecologische maatregelen en de bodem verbeterende eigenschappen van compost -
ILVO werkt mee aan een wetgevend kader voor boerderijcompostering en onderzoekt voordelen van samenwerking op regioniveau voor landbouwers
Inhoudstabel
- Waarom composteren?
- Compost maken
- Compost klaar: 2 tot 3 maanden
- Compost toepassen
- Regionale samenwerking
- Eerste composteringsproject toont potentieel
Waarom composteren?
Composteren is het omzetten van organische restproducten zoals plantenresten, voederresten en stalmest tot een aarde-achtig product dat gebruikt kan worden als bodemverbeteraar. Het biedt vele voordelen voor de bodemkwaliteit en de opbrengst van de gewassen. Bovendien worden de organische stof, de plantenvoedingsstoffen en andere nuttige componenten uit de restproducten via compostering maximaal behouden en gerecycleerd in de kringloop op het landbouwbedrijf, maar ook op landschapsniveau.
Composteren van plantenresten en mest beperkt ook het risico op nutriëntenverliezen door vervluchtiging en uitspoeling, niet alleen voor maar ook tijdens en na de toepassing, en verlaagt het risico op het overdragen van ziekteverwekkers.
Compost is dus niet alleen een kwaliteitsvol maar ook een veilig product met vele voordelen voor boer, bodem, gewas en de ruimere samenleving.
Boerderijcompostering
Er zijn verschillende categorieën van compost. GFT-compost, bereidt uit groente, fruit en tuinafval, en groencompost, bereidt uit groenafval, worden te koop aangeboden door industriële composteerbedrijven voor toepassing op landbouwgrond.
Boerderijcompost wordt bereid op het landbouwbedrijf van bedrijfseigen organische restproducten, zoals gewasresten en stalmest, eventueel aangevuld met resten uit bos-, natuur- en landschapsbeheer, en toegepast op landbouwgrond.
Beheerresten verwerken in boerderijcompost kan een win-win situatie creëren: landbouwers krijgen meer houtige biomassa, vooral ruiger maaisel, waar natuurorganisaties net vanaf willen om voedselarmere condities te creëren.
Al ruim 20 jaar is er vraag naar een faciliterend wettelijk kader voor boerderijcompostering in Vlaanderen. Het Mestdecreet (Artikel 3, §5, 3°) vermeldt een definitie van boerderijcompostering die aangeeft dat landbouwers kunnen samenwerken met maximaal 2 andere bedrijven voor het uitwisselen van organische reststromen en stalmest, en het gebruik van de afgewerkte compost binnen het samenwerkingsverband. Bij de compostering kan ook houtig materiaal en maaisel afkomstig van natuurbeheer gebruikt worden.
Op dit moment ben je als landbouwer, als je externe organische reststromen ontvangt, vergunningsplichtig en moet je aan dezelfde VLAREM-normen voldoen als industriële composteringsbedrijven. Je moet een vloeistofdichte verharding voorzien om compost op te bereiden en percolaat op te vangen.
ILVO werkt als partner mee aan de opmaak van een faciliterend wettelijk kader.
> Nog dit jaar duidelijkheid over regels rond boerderijcompostering - VILT
ILVO is voortrekker in Vlaanderen in het onderzoek naar boerderijcompostering en heeft ruim 20 jaar ervaring in het kwantificeren van de effecten van compost op bodemkwaliteit en gewasopbrengst. Op de eigen composteringssite wordt, naast het maken van compost voor eigen gebruik, onderzoek verricht naar de optimalisering van het uitgangsmengsel, het procesverloop en de opslagcondities. Daarnaast doet ILVO onderzoek naar bodemverbeterende mogelijkheden van verschillende organische producten via potproeven en langlopende meerjarige veldproeven.
> Persbericht ILVO compostsite
Effect op gewasopbrengst en bodemkwaliteit
Compost is rijk aan voedingsstoffen, bodemorganismen en stabiele organische stof, hét sleutelelement voor bodemvruchtbaarheid en het behoud en de benutting van voedingsstoffen. Bodems hebben nood aan blijvende aanvoer van organisch materiaal en compost is hier een geschikt product voor.
Stabielere gewasopbrengst
Een belangrijke meerwaarde van het herhaaldelijk gebruik van compost op landbouwbodems is het bekomen van een stabielere gewasopbrengst in tijden met meer extreme weersomstandigheden. Dit omdat compost:
- het organische stofgehalte verhoogt of behoudt
De aanmaak van humus (stabiele organische stof) zorgt voor een betere bodemstructuur wat het risico op verslemping, verdichting en erosie vermindert én gunstig is voor de worteling van gewassen, het behoud van nutriënten en de waterhuishouding van de bodem. In een bodem rijk aan organische (kool)stof kan water beter infiltreren tijdens natte periodes, met minder afspoeling, een lager risico op overstroming en een betere aanvulling van het grond- en oppervlaktewater tot gevolg. In een droge periode kan die bodem meer vocht ter beschikking stellen aan het gewas en water uit een plotse, hevige regenbui vasthouden door te fungeren als een spons.
- de zuurtegraad (pH) verhoogt of buffert
Een te lage of te hoge pH kan de beschikbaarheid en opname van nutriënten belemmeren. Compost heeft een zuurbindende waarde omdat het vrije kalk (CaCO3) bevat. Een voldoende hoog organische stofgehalte buffert tegen pH schommelingen en gaat bodemverzuring tegen.
- het bodemvoedselweb uitbreidt
Een actiever en meer divers bodemleven (bacteriën, schimmels, nematoden, …) draagt bij aan een betere bodemstructuur, door het vormen van bodemstructuurelementen, en het ondersteunt de wortelactiviteit van de gewassen. Bovendien bevordert het de bodemvruchtbaarheid en verhoogt het de ziekteweerbaarheid, waardoor een landbouwer kan besparen op gewasbeschermingsmiddelen.
- alle plantenvoedingsstoffen aanbrengt mét een lager risico op verliezen
Met het gebruik van compost pas je alle nodige voedingsstoffen voor de gewassen toe. Het risico op nutriëntenverliezen is lager - bij en na de toepassing - in vergelijking met andere bemestingsvormen omdat minerale voedingstoffen binden aan de organische stoffractie of de kleimineralen in de compost en omdat een deel van de voedingstoffen gebonden zijn in de stabiele organische stof.
> Compost levert complete bemesting – Wageningen UR
Opletten met fosfor
De fosforreserve is (te) hoog in vele Vlaamse landbouwbodems. ILVO toonde aan dat de fosforreserve kan stijgen door een jaarlijks herhaalde composttoepassing als de fosforinput, via compost en andere bemestingsvormen, hoger is dan de fosforexport via de gewassen.
Compost kan, afhankelijk van het uitgangsmengsel, een lagere stikstof:fosfaat (N:P2O5)-verhouding hebben dan stalmest.
Onderzoek toonde aan dat de stikstof:fosfaat verhouding van compost, waarin stalmest werd gecombineerd met plantaardig materiaal, lager is dan de stikstof:fosfaat verhouding van stalmest. Deze lagere stikstof:fosfaat verhouding van compost betekent dat bij de aanbreng van eenzelfde hoeveelheid fosfor, compost minder stikstof toegediend dan stalmest. In sommige gevallen leidt dit tot een lagere opbrengst.
Een bereiding van compost met plantaardig materiaal met een lage fosforinhoud zorgt voor fosforarme compost.
Compost maken
Compost wordt gevormd tijdens een afbraak- en omvormingsproces door microbiële activiteit in aerobe (zuurstofrijke) omstandigheden. Alle organische resten, zowel plantaardige resten als dierlijke mest, kunnen als uitgangsmateriaal dienen maar het is van belang enkele vuistregels te volgen.
Compostsamenstelling
Organische reststromen worden ingedeeld in twee types: de bruine en de groene materialen. Een correcte verhouding tussen beide types materialen is belangrijk voor een goede start en verloop van het composteringsproces en wordt uitgedrukt op volumebasis wat praktisch is voor de composteerder.
Nodig: bruin en groen materiaal, zuurstof (O2) en vocht
- Bruine materialen zijn houtiger, droger, minder goed afbreekbaar, nutriëntenarmer en structuurrijker in vergelijking met groene materialen. Ze hebben een hoog koolstofgehalte en bijgevolg hoge koolstof:stikstof-verhouding (C:N). Hun grovere structuur verzekert de aanvoer van zuurstof in de hoop.
Voorbeelden zijn versnipperd hout, twijgjes, stro, stengelig hooi en boombladeren.
- Groene materialen hebben doorgaans een hoog vochtgehalte, zijn sneller afbreekbaar en nutriëntenrijk. Ze zijn rijk aan stikstof wat zorgt voor een lage C:N verhouding.
Voorbeelden zijn bladrijk plantaardig materiaal zoals grasmaaisel en bladrijk hooi, maar ook stalmest wordt wegens zijn hoge stikstofinhoud en hoog vochtgehalte beschouwd als groen materiaal. De C:N verhouding van stalmest is afhankelijk van de strogift (hoe meer stro hoe hoger de C:N) maar blijft ruim lager dan de C:N van bruine materialen.
60% bruin, 40% groen
De optimale samenstelling van het uitgangsmengsel wordt bepaald op volumebasis, 60% bruin materiaal mengen met 40% groen materiaal, wat zorgt voor een optimale initiële C:N verhouding van 25 à 35:1.
Een voldoende hoge C:N verhouding is cruciaal om stikstofverliezen te beperken. Het bruine materiaal zorgt ook voor de structuur die nodig is voor luchtverversing via een natuurlijk schouweffect. Compostering is namelijk een aeroob proces en vraagt een continue aanvoer van zuurstof (O2) en afvoer van koolzuurgas (CO2).
Meer dan 60% bruin materiaal (C:N > 35:1) zal de temperatuurstijging temperen wat het afdoden van onkruidzaad kan verhinderen en de composteringsduur verlengt. Als het uitgangsmateriaal vrij is van onkruidzaad kan ook deze compost van uitstekende kwaliteit zijn met een hoog organisch stofgehalte.
60-70% vocht
Bij de start van het proces moet het vochtgehalte voldoende hoog zijn, namelijk 60 à 70%, op gewichtsbasis. Dit is belangrijk voor o.a. het behoud en de benutting van de vrijgestelde stikstof.
Tijdens het proces komen er vocht en voedingsstoffen vrij bij de afbraak van groen materiaal. Het drogere bruine materiaal neemt dit procesvocht op en gaat uitspoeling van de nutriënten uit de hoop tegen. De hoge temperaturen zorgen ook voor veel vochtverlies door verdamping.
Om te vermijden dat het composteerproces stopt door vochttekort, moet je tijdig water toevoegen. Dat doe je best tijdens het keren van de hoop.

Compostril aanleggen
De groene en bruine materialen kan je laagsgewijs, in een hoop, aanleggen op volle grond of een betonplaat. De lichtste materialen komen onderin voor een goede menging tijdens de eerste passage met de compostkeerder. Veel verschillende uitgangsmaterialen gebruiken en de houtige biomassa verkleinen zal bijdragen aan een gunstig proces en de kwaliteit van het eindproduct.
De beste vorm van een composthoop is een ril: een langgerekte hoop van 2 à 4 meter breed en 1 à 2 meter hoog. Deze beperkte dwarsdoorsnede garandeert de nodige zuurstofaanvoer voor de ademhaling van de organismen die het organisch materiaal afbreken en omvormen. Zuurstofgebrek leidt tot rotting en bijgevolg verliezen door uitspoeling of vervluchtiging.
Door warmteontwikkeling ontstaat er een schouweffect waarbij vochtige warme lucht ontsnapt aan de kop van de hoop en drogere koude lucht binnendringt via de flanken. De beperkte doorsnede van de hoop garandeert deze luchtcirculatie waardoor het zuurstofgehalte op peil blijft en het teveel aan koolzuurgas (CO2) wordt afgevoerd. Volstaat het natuurlijk schouweffect niet dan wordt de hoop omgezet met een compostkeerder.
Om het proces gelijkmatig te laten verlopen en ook aan te sturen, is het belangrijk dat de hoop een gelijke samenstelling heeft over zijn ganse lengte. Toevoegen van vers organisch materiaal kan maar moet beperkt worden in de tijd.
> Filmpje Boerderijcompostering
Opvolging: temperatuur, CO2 en vocht
Om het composteringsproces aan te sturen, moet je bij de start vaak de temperatuur en de beschikbare zuurstof meten.
Als je groene en bruine materialen in de juiste verhouding hebt gemengd en het vochtgehalte hoog genoeg is, gaat het proces snel van start. De temperatuur in de hoop loopt dan op tot 60 à 70°C en zorgt voor het afdoden van onkruidzaden en schadelijke organismen. Te hoge temperaturen zijn te vermijden wegens een te groot verlies van koolstof.
De temperatuur meten doe je in de kern van de hoop via een thermometer met een lans.

Het zuurstofgehalte meet je niet rechtstreeks maar bepaal je op basis van het CO2-gehalte. Compostering is een ademhalingsproces waarbij, naast warmte en waterdamp, CO2 wordt geproduceerd bij het verbruik van zuurstof. Een te hoog oplopend CO2-gehalte duidt dus op een dreigend tekort aan zuurstof.
Het CO2 -gehalte meet je met een CO2 -meter onderin de hoop want CO2-gas is zwaarder dan lucht.
In de beginfase van de compostering schat je het vochtgehalte in door een handvol compost dicht te knijpen: lekt er water weg dan is het mengsel te nat, valt het uit elkaar dan is het te droog.
> Filmpje Compost op ILVO
Compost keren
Om het proces op gang te houden door het aan te sturen en het gehele mengsel goed te composteren, moet je de composthoop verschillende malen keren. Dat doe je best met een compostkeerder. De specifieke vorm van de rotor zorgt niet alleen voor een homogene menging bij de start maar brengt ook het materiaal in de kern van de hoop naar de flanken en omgekeerd.
In de beginfase moet je vaker keren. Dit komt door de sterke temperatuurontwikkeling en het hoge zuurstofverbruik bij intense biologische activiteit. De verhouding groene versus bruine materialen is ook bepalend en bij veel groen materiaal is er nood aan meerdere keren omzetten tijdens de eerste week. Na deze afbraakfase volgt een rijpingsfase waarbij keren minder vaak nodig is.
In deze situaties moet je keren:
- Temperatuur > 65°
- CO2 gehalte > 16 vol%
- Bij een te droge hoop om water toe te voegen

Compost klaar: 2 tot 3 maanden
Gemiddeld is een ril boerderijcompost na 2 à 3 maanden afgewerkt (ook wel ‘rijp’ genoemd). De tijdsduur is wel afhankelijk van de samenstelling van het uitgangsmengsel en de aansturing tijdens het proces.
De composteringsduur is langer bij een hoger aandeel en een mindere verkleining van houtig materiaal. Een tijdelijk vochttekort vertraagt ook het proces.
Een eerste aanwijzing voor het aflopen van het composteringsproces is een sterke daling van de temperatuur. Verder kan je rijpe compost gemakkelijk herkennen aan de:
- geur
Goede compost stinkt niet. De geur varieert van neutraal tot bosgeur.
Rotte eieren-geur wijst op veel zwavel door rotting (te nat); een ammoniak-geur duidt op instabiele en dus onrijpe compost die te veel stikstof bevat door een overmaat aan groen materiaal.
- kleur
De kleur wisselt van licht tot donkerbruin, hoe hoger het vochtgehalte hoe donkerder. Asgrijze of gitzwarte compost komt door te hoog opgelopen temperaturen.
- structuur
Afgerijpte compost is kruimelig. De structuur kan variëren afhankelijk van de composteringsduur.
Grovere compost is meestal jonger en verbetert de bodemstructuur door het activeren van de bodembiologie. Deze compost kan bodemstikstof vragen voor de doorvertering en kent een tragere werking.
Fijnere compost is doorgaans beter verteerd en voedt de planten onmiddellijk.
- vocht
Om de kwaliteit van de compost tijdens de opslag te behouden mag het vochtgehalte niet te hoog zijn, ca. 50% is optimaal.
Deze vier eigenschappen zijn snel te checken. Maar er zijn meer indicatoren die je kan nagaan om te bepalen of je goede rijpe compost hebt.
> Lees ‘Wat is goede compost? voor meer informatie over deze indicatoren en hoe ze te bepalen.
> Download Compost Scorekaarten
Compost toepassen
Compost hoef je niet onder te werken om stikstofvervluchtiging te beperken. Het grootste deel van de stikstof in compost is organisch gebonden. Compost bevat maar een zeer kleine hoeveelheid minerale stikstof onder de vorm van ammoniumstikstof, de stikstofvorm die onderhevig is aan vervluchtiging. Bij rijpe compost wordt er minder ammoniumstikstof gevormd en wordt die snel omgezet naar nitraatstikstof.
Voor zijn bodem verbeterende eigenschappen, maakt het niet uit wanneer je compost toepast. Wil je het tekort aan voedingsstoffen aanvullen dan pas je hem best zo snel mogelijk toe, vóór de volgende hoofdteelt.
Rijpe compost kan je uitrijden in het voorjaar want je kan er zonder problemen in zaaien en planten. Jonge compost breng je beter aan in het najaar, net voor het inzaaien van de groenbemester.
Bij voorkeur breng je compost regelmatig aan in matige hoeveelheden in plaats van in één grote gift, zeker in lichte gronden.
> Praktische infofiche boerderijcompostering – B3W
Regionale samenwerking
Boerderijcompostering heeft veel landbouwkundige voordelen maar vergt veel van individuele landbouwers. Niet alleen de compost bereiden en stockeren, maar ook de onderhandelingen met natuurbeheerders, de kwaliteitsopvolging en de toepassing zelf vormen samen een gevuld takenpakket. Ondanks de interesse van (zowel gangbare als bio-) landbouwers is dit één van de belangrijkste redenen waarom het in de praktijk relatief weinig gebeurt (bovenop het gemis aan een duidelijk wetgevend kader).
Om echt succesvol te kunnen zijn en boerderijcompostering haalbaar en werkbaar te maken, is regionale samenwerking - tussen landbouwers onderling en tussen landbouw en natuur - nodig. Op die manier kunnen individuele landbouwbedrijven ontzorgd worden maar kan compost bereiden en toepassen ook economisch interessanter worden. Een collectieve aanpak verlicht bovendien de todo-lijst zoals gesprekken met natuurbeheerders rond het gepast aanleveren van reststromen.
> Nog dit jaar duidelijkheid over regels rond boerderijcompostering - VILT
Eerste composteringsproject toont potentieel
Onderzoek naar de haalbaarheid van een regionaal composteringsconcept in het Grenspark Groot Saeftinghe door ILVO toont duidelijk potentieel en bevestigt de wens van verschillende betrokkenen om gezamenlijk met boerderijcompostering aan de slag te kunnen gaan.
Cruciaal voor succesvolle opschaling en regionale samenwerking is:
- De strategische inzet van publieke biomassastromen. Deze biomassa is eigendom van openbare instellingen (in het jargon: met een openbare instelling als “houder”) en is doorslaggevend. De stromen zijn niet alleen massaal aanwezig, omdat publieke instellingen veel biomassabronnen (wegbermen, dijken, natuurgebieden) controleren, ze zijn ook stabiel in beschikbaarheid. Ze veranderen weinig omdat publieke biomassa vooral komt uit het beheer van zaken die niet verplaatst kunnen worden of gelinkt is aan lokale of regionale algemene belangen. Het beheer van dijken, natuurgebieden, rietgrachten, … zal steeds nodig blijven.
- Het uitwerken van coöperatieve samenwerkingsverbanden om logistieke vraagstukken op te lossen zoals: waar komt welke biomassa vrij, hoe kan die geoogst en bewaard worden, hoe en wanneer kan die naar individuele landbouwbedrijven gaan, welke tijdelijke stockage is er nodig en op welk niveau wordt die best georganiseerd.
- Het uitwerken van machineringen. De nood aan machines en tools (compostkeerder, meetapparatuur…) is een uitdaging maar lost zichzelf op bij schaalvergroting. Loonwerkers (binnen en buiten het grenspark) geven aan dat de loonwerkmarkt zich hierop zal organiseren van zodra voldoende landbouwers vragende partij zijn voor dit soort diensten.
- De nodige begeleiding tijdens de pilootfase. Compostering vraagt begrip rond de kwaliteit van reststromen, de procesvoering en de gewenste kwaliteit van het eindproduct. Begeleiding is niet alleen nodig voor het opbouwen van deze stielkennis maar geeft ook inzicht in de logistieke aspecten van boerderijcompostering en hoe je composttoepassing integreert in de bemestingspraktijk of, ruimer, in het algemene bodembeheer.
Van zodra enkele wetgevende hindernissen op Vlaams niveau zijn aangepakt, ligt er een blauwdruk klaar voor verdere opschaling naar andere gebieden. De lessen uit het onderzoek in Grenspark Groot Saeftinghe zijn zeer relevant voor andere regionale samenwerkingsverbanden zoals Landschapsparken en Nationale Parken, het programma Water+Land+Schap en de gebiedswerking van de provincies en het departement Omgeving. De ontwikkelingen in het grenspark worden dan ook in verschillende andere regio’s in Vlaanderen en Nederland met interesse gevolgd.
> Bekijk de webinar Composteringsproject Grenspark Groot Saeftinghe of lees het eindrapport Uitwerking van een regionaal composteringsproject in het Grenspark Groot Saeftinghe - ILVO voor uitgebreide informatie.
Lees ook deze dossiers
- Bemesting en bodemverbetering met organische meststoffen
- Bodem: koolstofopslag
- Bodemerosie
- Bodemgezondheid
Contacteer een expert
Koen Willekens
Expert bodembeheer, biologische en agro-ecologische teeltsystemen en compostering
ContactOnderzoeksprojecten